Ds. GERARD JAN KOOLHAAS
Ds. Koolhaas werd 5 februari 1884 in Waardenburg geboren, waar zijn vader hoofd der school was. Hij bezocht het gymnasium in Tiel, studeerde aan de Rijksuniversiteit in Utrecht. Hij werd als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk door zijn broer B.C. Koolhaas, Nijkerkerveen, bevestigd. Hij diende de gemeenten Kamperveen, Barneveld, Oldebroek, Oud-Beij erland, Ro
tterdam-Charlois (9 jaar), Huizen, Oldebroek (tweede maal) en Lopikerkapel.
Ds. Koolhaas is o.a. praeses van de Provinciale Kerkvergadering van Utrecht geweest.
Voorts praetor van de ring IJsselstein, secundus kerkvisitator-generaal, lid van de Hervormde Raad van Kerk en Ziekenzorg, lid van het bestuur van de Gereformeerde Bond van verenigingen en stichtingen van Barmhartigheid in Nederland, 2e voorzitter van het bestuur van de Vereniging tot Gereformeerde Ziekenverzorging, voorzitter van de Ziekenraad van het ziekenhuis Salem te Ermelo, ondervoorzitter van het hoofdbestuur van het Nederlands Bijbelgenootschap, secretaris van de Christelijke Stichting voor Gezinsverzorging te Lopik, lid van het bestuur van de Geziena Hendrika Wesselink-Veneman Stichting te Oldebroek, lid van het bestuur van het Christelijk Militair tehuis in de legerplaats Oldebroek. Hij was Ridders in de orde van Oranje-Nassau.
In de gemeenten, die hij diende, was hij o.a. de stichter van scholen en gebouwen voor jeugd- en wijkwerk en ziekenverpleging en was hij de stuwende kracht bij de restauratie en bouw van kerken.
Op 1 januari 1954 ging Ds. Koolhaas met emeritaat.
______________________________________________________
Hieronder een beschrijving over ds. Koolhaas verschenen in Huizer Kring Berichten 10e Jaargang nr. 2, mei 1989
Overgenomen uit: De Hoeksteen, jrg.4, nr.3-1975.
Een dorpspastor in oorlogstijd
Geschreven door: G. WENTZEL
Hij bezat geen auto. Wel een fiets. Bij bar slecht weer kwam Jan Visch met zijn zwarte tentwagen voorrijden en bracht hem naar de plaats van bestemming. Dominee was nog zo'n echte, ouderwetse dorpspastor, gekleed in het zwart en met zwarte hoed. Op de fiets kon je hem altijd herkennen. Ietwat naar rechts gebogen en iedereen vriendelijk groetend. Hij sjouwde er heel wat af. Een grote gemeente vraagt nu eenmaal veel aandacht en hij had er ook aandacht voor. Zijn geloof was niet uitsluitend verticaal opgebouwd, maar straalde ook horizontaal uit. Die beide richtingen behoorden voor hem onlosmakelijk bij elkaar. Ze waren niet te scheiden en het betreden van maar slechts een van deze lijnen (wegen) vond hij maar LEVENSGEVAARLIJK.
Het was voor de gemeente een hele gebeurtenis toen hij in 1943 met zijn vrouw alle scholieren, die het Mulo-examen met goed gevolg hadden afgelegd, kwam feliciteren. Dat was nooit eerder geschied. Vooral de jongeren vonden hem maar een mieterse dominee. . .
Sommigen vroegen zich echter of, waar dominee zich toch niet overal voor druk maakte. . .
Wie was die pastor? Het was Gerard Jan Koolhaas, die in 1943 als hervormd predikant zijn intrede deed in Oldebroek. Oldebroek was voor hem geen onbekende gemeente, want van 1920 tot 1924 had hij deze plaats reeds eerder gediend. Hij kwam toen van Barneveld en vertrok in 1924 naar Oud-Beyerland.
In de jaren 1920-1924 was het nog vredig in Oldebroek. 0 ja, er was bittere armoede, dat wel, maar er liepen nog geen vijandelijke troepen dreunend en stampend met soldatenlaarzen over de Oldebroeker straten en wegen. Dat was nu wel het geval. Koolhaas stond aan de goede kant.
Reeds in zijn vorige gemeente Huizen werd hij al met het Duitse geweld geconfronteerd. 0p zondag 31 augustus 1941 werd door na de godsdienstoefening spontaan het Wilhelmus aangeheven. Wie was de eerste die er mee begon?
Niemand die het precies kon navertellen. Het ging vanzelf! De Duitsers spraken over het zingen "in demonstrativer Form ". Toe maar!
Ze hadden ons toch zo uitdrukkelijk op het hart gebonden nu eens voorgoed met het 'gevluchte' Huis van Oranje af te rekenen en alle namen van dit "ehemahliges Haus" van ziekenhuizen, sanatoria e.d. te schrappen. Maar het hielp niet veel. De liefde voor het Oranjehuis en het WiIhelmus zat te diep in ons volk geworteld. Huizen kon het die morgen gewoon niet laten het oude volkslied aan te heffen.
Ds. Koolhaas werd ter verantwoording geroepen en verteld, dat zo iets niet weer mocht voorkomen. Als straf werd de gehele kerkeIijke gemeente van Huizen door de "General Kommissar fűr dos Sicherheitswesen" op 3 december 1941 aangeslagen voor een bedrag van f 59.450,-, waaraan een ieder zijn deel moest bijdragen. Nu zou het nog bij een geldsom blijven, maar een volgende keer zouden er mensenlevens op het spel staan. . .
In Oldebroek liep ds. Koolhaas ook al gauw voor de voeten van de vijand. Er was ook zoveel te doen. Honderden Joden en onderduikers waren van heg en steg verdreven en genoten in Oldebroek en wijde omgeving een gastvrij onthaal. Hoeveel keren haalde dominee in zijn preken niet de woorden uit Jesaja aan, waarin o.a. wordt vermeld, dot wij de verdrevenen moeten herbergen en dat wij de omzwervenden niet moeten aanmelden. Het werkte aanstekelijk. Van de kansel af trainde hij de gemeente in de hulpverlening en riep op tot standvastigheid en trouw. Het was voor een Oldebroeker een eer een vluchteling te hebben. Zei een boer niet vaak: "Ene meer of minder zal 't m ok niet doon ".
Zij, die levensmiddelenbonnen over hadden, konden ze 's zondags wel in de collectezak kwijt. Dominee wist er wel weg mee.
Maar ook de geestelijke bijstand was zo bitter nodig. Hoe vaak werd zijn hulp niet ingeroepen als een onderduiker het niet meer zag zitten en tot wanhoopsgedachten en -daden kwam? Koolhaas sprak met hem, troostte hem en bad met hem. Hij wist dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag. Als de toestand door een of ander besluit van de bezetter bijzonder precair werd, riep hij in de pastorie wat gemeenteleden bij zich voor een gebedsstonde. Eens zei iemand tegen me: Het ging je gewoon door merg en been, zoals hij bad. Hij smeekte, nee riep om uitredding. Hij zat dan geknield op de grond en deed het gebed op basis van Christus' woorden, dat als twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn, Hij daar tegenwoordig is. Hij was overtuigd van de grote kracht Gods en stapte dan op. Ging regelrecht naar de Ortskommandant en deed een pleidooi om geen mensen gevangen te nemen of te fusilleren.
Eens moest de bezetter een aantal Oldebroekers hebben, dat moest meehelpen aan de versterking van de fortificaties aan de IJssel bij Zwolle. Bij lange na was het aantal niet compleet. Er werd gedreigd met het gevangennemen van gijzelaars. Dominee was de eerste, die zich als gijzelaar meldde....
Wat heeft hij er niet afgereisd om de jongens uit Oosterwolde en omgeving die tijdens een razzia werden gegrepen en werden overgebracht naar het kamp in Amersfoort, vrij te krijgen? Hij benaderde de hoogste instanties en onderhield voortdurend contact tussen de ouders en hun zoons. Soms waren het verblijdende berichten, die hij hun kon vertellen.
Soms indroeve verhalen, waar hij met bewogenheid mee bezig was. Alsof het zijn eigen zoon betrof. . . .
Tussen de bedrijven door zorgde hij voor de geestelijke bijstand der gemeente en vooral de jongeren werden door hem niet vergeten. Zondags nodigde hij hen zoveel mogelijk uit ter kerke te gaan. Hij had zo zijn eigen contactadressen. Als de nood aan de man kwam, werd hem op de kansel een briefje aangereikt, waarop stond, dat er Duitsers op komst waren.
Hij verzocht de jongeren dan door deze of die deur de kerk te verlaten. . .
Eerst hield hij catechisatie in het lokaal aan het Kerkpad, maar toen deze ruimte als nachtverblijf werd gevorderd ten behoeve van de talloze hongertrekkers, verhuisde hij naar de consistoriekamer onder de toren van de Lambertuskerk. Enkele kaarsen dienden als verlichting. Op den duur werd ook deze ruimte bij avond te gevaarlijk. 0nder de catechisanten bevonden zich veel onderduikers. Boven in de ranke lantaarntoren hadden de Duitsers een uitkijkpost gevestigd en bij de kerk hielden zich een bijzondere "Abteilung" van de Duitsers op, die in geval van nood de kerk, het gemeentehuis en het bankgebouw moesten opblazen. De vijand was rondom. De laatste catechisatieles was een toespraak over Psalm 23: De Here is mijn herder. Ik zal nu geen enkele poging wagen te beschrijven, hoe dit bij ons overkwam. Elk woord zou ver beneden de maat blijven en al gauw als sentimenteel of emotioneel worden betiteld. Een ding: het liet ons niet los en het heeft mij althans tot op de dag van vandaag richting aan mijn leven gegeven.
De catechisatielessen moesten worden gestaakt in de kerk. Dominee trok er nu zelf op uit en nodigde de jongeren bij particulieren aan huis uit. In verschillende sectoren van de gemeente werd een kamer beschikbaar gesteld. Ook voor onderduikers werd een onderkomen gezocht.
Soms was dit een ruimte onder een hooiberg, terwijl jongeren bij toerbeurt de wacht bij de hooiberg hielden...
Eens op een wintermorgen stroomde de heerd weer vol met jongeren. Dominee zou weer komen, maar wat duurde het vanmorgen akelig lang. Zou er wat aan de hand zijn? Een uur later dan gewoonlijk komt Koolhaas binnen.
Het hoge woord moet er dan maar uit: tijdens een zware rukwind was hij op de vlakke Westerweg met fiets en al in de sloot terecht gekomen. Kletsnat en onder de modder. Zo kon hij niet verschijnen, meende hij. Daarom had hij rechtsomkeerd gemaakt. Zich gewassen en verschoond. Vandaar.
Soms stond hij aan de groeve van een onderduiker. De familie, die in het westen des lands woonde en niet kon komen wegens de grote nood en de slechte verkeersverbindingen, ontbrak. Slechts een enkele bekende uit de buurt volgde de lijkkoets... Ook heeft hij Joden begraven op uitdrukkelijk verzoek van hen, bij wie ze waren ondergedoken. Zo bewees Koolhaas ook hun de laatste eer. . .
Natuurlijk wilde hij op de hoogte blijven van het nieuws van "Radio-Oranje". Als hij straks weer bij gemeenteleden en onderduikers komt, heeft hij in ieder geval het laatste nieuws bij de hand. Eerst werd er geluisterd in een schuur van Willem Brummel, die radiohandelaar was. Hij had toestemming een radio bespeelbaar in zijn bezit te houden. Op den duur werd hier de radiobeluistering toch te gevaarlijk en er moest wat anders op verzonnen worden. Wij hadden nog een radiotoestel achtergehouden en kwamen op een lumineus idee. In de orgelkas in de kerk was voldoende ruimte. Bovendien was het lichtnet nog niet afgesloten. Hier konden we nu voortaan heel goed "RadioOranje" gaan beluisteren. Avond aan avond trok ik met dominee naar de orgelkas. Nu was je daar niet zo in. Met een trap en heel wat gemanoeuvreer met stoelen, die je op elkaar zette, verdween je tenslotte in de orgelkas. We waren meestal met ons beiden. Er werd zo min mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven om te voorkomen, dat er over gepraat werd.
Eens op een avond stonden we doodsangsten uit. Bij het verlaten van de orgel kas hoorden we heel duidelijk onraad in de kerk. Het was net of iemand langs de muren schuifelde. Je zou zeggen, dat het een Duitser was, die met z'n leren jas zich ergens verdekt had opgesteld. Ds. Koolhaas trok me aan de jas en maande me tot stilte. Van alles ging door je hoofd. Waren er al niet eerder Nederlanders opgepakt omdat ze naar "Radio-O ranje" hadden geluisterd? Je moest er niet aan denken.
Het hart klopte me in de keel.
Ineens brult dominee het uit van het lachen.
Ik schrok er van en fluisterde: "Stil toch!" Het hielp echter niets. Hij bleef lachen.
En toen: "Kijk daar gaat een mof! Hij vliegt! " Ja, nu zag ik het ook. Het was een verdwaalde vleermuis, die van raam tot raam vloog. . .
Dit verhaal hebben we later ettelijke keren naverteld. Ja, je kon in de oorlog ook lachen. Echt lachen!
Na het nieuws spoedde hij zich weer naar het Bankgebauw en het catechisatie/okaal aan het Kerkpad , waar de hongertrekkers een "avondsluiting" kregen. Soms werd er daarna door de trekkers op de strobedden gebeden, soms werd er ook gevloekt. . .
Geloof en ongeloof, liefde en haat liggen soms zo benauwend dicht bij elkaar.. . Een overstapje is zo gemaakt! .
Mevrouw Koolhaas-Boks was ook meestal aanwezig. Zij zorgde voor een kop warme surrogaatkoffie, gemaakt van tulpebollen. Eens kwam ze er niet aan toe, omdat zij samen met "vrouw" Van de Streek als vroedvrouw fungeerde bij een bevalling. De jonge vrouw liep al in de laatste dagen, maar zij meende nog wel een hongertocht te kunnen maken. In Oldebroek werd abrupt de tocht onderbroken. . .
In 1948 vertrok Ds. Gerard Jan Koolhaas naar Lopikerkapel. Inmiddels overleed hij.
Is dit verhaal bedoeld als "mensverheerlijking"?
Nee, het is een verhaal uit duizenden van een gewone dorpspastor in oorlogstijd.
Zei Jezus niet eens, dat wie een kaars ontsteekt, die niet in het verborgen, noch onder een koornmaat zet, maar op een kandelaar, opdat zij die inkomen, het licht mogen zien?
Kinderen zouden zingen:
Jezus zegt, dat Hij
hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes,
brandend in de nacht.
En Hij wenst, dat ieder
tot Zijn ere schijn',
gij in uw klein hoekje
en ik in ¡®t mijn!
We leven nu 30 jaar na de bevrijding. De demonische machten zijn er nog en God is er nog.
Branden ook nu nog onze kaarsen? Of hebben we 't al lang opgegeven?
Verlaat niet wat Uw hand begon, 0 Levensbron, wil bijstand zenden...