“TOEKOMSTVERWACHTING : een veelkleurigheid aan opvattingen”
Zolang de kerk bestaat heeft het onderwerp van de toekomstverwachting tot haar verbeelding gesproken. Al spoedig nadat er gemeenten in Klein Azië waren ontstaan, ontsponnen zich binnen enkele van hen soms heftige discussies over de wederkomst van Christus. Een treffend voorbeeld daarvan vinden we in de gemeente van Thessalonica. Blijkbaar waren daar christenen, die meenden dat zij de wederkomst van Christus tot op de dag toe uit konden rekenen. Vandaar dat Paulus aan hen schreef: “Maar van de tijden en gelegenheden, broeders, hebt gij niet van node dat men u schrijft. Want gij weet zelf zeer wel, dat de dag des Heren alzo zal komen gelijk een dief in de nacht” (1 Thessalonicenzen 5:1-2).
Toch spreekt een niet onbelangrijk deel van het bijbels getuigenis over de toekomende dingen en worden wij als christelijke gemeente telkens opgeroepen om een verwachtende gemeente te zijn. Maar hoe zijn we dat? En vooral, wat verwachten wij nu precies? Kunnen wij op grond van de schrift komen tot een eensluidende toekomstverwachting? Dit zijn vragen, die des te klemmender op ons afkomen, wanneer wij de bijbel openen en daar een niet geringe variatie in het spreken over de toekomst aan treffen. Deze gevarieerdheid hangt vooral ook samen met de verschillende tijden waarin de bijbelboeken geschreven zijn en met de aard van de bijbelboeken zelf. Het is geen sinecure om oud-testamentische profetieën, toespraken van de Here Jezus, passages uit de brieven van Paulus en Petrus en de Openbaring aan Johannes zomaar met elkaar te verbinden. Wellicht vraagt u zich af: “Is de bijbel dan niet helder in haar spreken over de toekomende dingen?” Jawel, de schrift is in zichzelf helder, maar alles wordt ons niet kant en klaar op een presenteerblaadje aangereikt. Ook hier geldt het gezegde van Paulus, dat wij zien “door een spiegel in een duistere rede” en wanneer wij dat beseffen moet ons dat bescheiden maken in ons spreken. Vooral wanneer wij zien naar de verschillende opvattingen en methoden van schriftverklaring past het ons om voorzichtig te zijn. Het is evenwel goed en zelfs geboden om de betreffende schriftgedeelten te bevragen en nauwkeurig te onderzoeken, als wij ons er maar afdoende van bewust zijn, dat een al te kritiekloos achter elkaar “plakken” van profetische teksten uit het Oude Testament en passages uit het boek Openbaring kan leiden tot een stillering van allerlei opvattingen, die wij als zodanig in de schrift zelf niet aantreffen.
Wanneer wij terugblikken in de kerkgeschiedenis, dan zien we hoe theologen met dit thema hebben geworsteld. Het is niet voor niets, dat een man als Calvijn (1509-1564), die alle bijbelboeken van een commentaar voorzag, een verklaring op het boek Openbaring achterwege liet. Deze verlegenheid komen wij ook tegen bij een latere beweging, die wij de “Nadere Reformatie” zijn gaan noemen. Een puriteinse stroming binnen de gereformeerde theologie, die zich ten doel gesteld had om onder de Nederlandse bevolking te bewerken, dat leer en leven meer op elkaar zouden worden betrokken. Een beweging waarin ook de toekomstverwachting van de christen onder hernieuwde aandacht kwam te staan, maar waar men ook met een zekere terughoudendheid sprak over de wederkomst van Christus. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat er uitzonderingen waren. Te denken is aan iemand als Wilhelmus à Brakel (1635-1711), die in het derde deel van zijn “Redelijke Godsdienst” een omvattende verklaring van het bijbelboek Openbaring gegeven heeft. Een theoloog, die zich in dit commentaar doet kennen als iemand, die er rotsvast van overtuigd is, dat aan de wederkomst van Christus een periode van vrede, het zogenoemde: “Duizendjarig Rijk” én een bekering van het joodse volk tot de Here Jezus, zouden voorafgaan. Wij noemen deze opvatting ook wel een vorm van “chiliasme”, omdat zij is afgeleid van het Griekse woord “chilioi” hetgeen duizend betekent.
Toch bleef deze opvatting binnen de gereformeerde traditie gereserveerd tot enkelingen. Dit is echter niet zo verwonderlijk, wanneer men zich realiseert, dat het “chiliasme”, waarvan er vele varianten bestaan, zich vooral profileerde in doperse stromingen, waarbinnen zich vaak “overspannen” en zelfs fundamentalistische toekomstverwachtingen lieten gelden.
Wij mogen de ogen niet sluiten voor het feit, dat ook in de vroege kerk theologen werden aangetroffen, die aandacht vroegen voor een meer letterlijke uitleg van bepaalde profetieën. Te denken is aan iemand als de kerkvader Irenaeus (±185). Hoewel deze stroming, die een meer letterlijke uitleg van de schrift voorstond, in later eeuwen binnen de westerse theologie op de achtergrond raakte, kwam zij tot een herleving in de achttiende- en negentiende-eeuwse Angelsaksische opwekkingsbewegingen. Wij treffen deze schriftuitleg vooral aan binnen de traditie van het adventisme (= een stroming, die de nadruk legt op de wederkomst van Christus). Een Nederlandse exponent van deze stroming mag stellig gezien worden in de persoon van Johannes de Heer (1866-1961) die met zijn “Maranathabeweging” wilde komen tot een hernieuwd elan binnen de traditionele kerken. Zijn letterlijke schriftuitleg, vooral met betrekking tot de oud-testamentische profetieën, maakte hem bij verscheidene theologen verdacht. Wijlen G. Wisse (1873-1957), destijds hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van de Chr. Geref. Kerken) en vriend van Johannes de Heer moet eens over hem opgemerkt hebben: “een fantastische chiliast en een chiliastische fantast”. Toch mag het opmerkelijk worden genoemd dat Johannes de Heer, die overigens belijdend lidmaat van de Ned. Hervormde Kerk was, al ver voor de Tweede Wereldoorlog benadrukte dat het joodse volk eens uit de verstrooiing zou terugkeren naar Palestina. Dit werd in 1948, tegen alle verwachtingen in, bewaarheid toen de staat Israël door Ben Goerion werd uitgeroepen.
Tijdens de opkomst van het nationaal socialisme in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog, was er ook binnen de officiële gereformeerde theologie, zij het op bescheiden schaal en tevens genuanceerder dan in de “Maranathabeweging”, een bezinning op gang gekomen ten aanzien van de verhouding van de kerk en het joodse volk. Symptoom hiervan vormt een bundel met lezingen over het bijbelboek Openbaring van H.M. Miskotte (1894-1976), die in 1945 onder de titel “Hoofdsom der historie” verscheen.
Wie vandaag zijn oor te luisteren legt binnen onze Hervormde Gemeente, zal tot de ontdekking komen, dat er een veelheid en veelkleurigheid aan opvattingen met betrekking tot de toekomende dingen bestaat. Dat is goed. Laten wij de Here danken voor deze veelkleurigheid. Want juist deze verscheidenheid stelt ons in staat, kennis te nemen van elkaars opvattingen, elkaar in liefde kritisch te bevragen en vervolgens samen Gods Woord te onderzoeken. Dan zal in vervulling gaan, wat Paulus geschreven heeft aan Timotheüs: “En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten.”
Albert N.J. Scheer