Engelen, gedienstige geesten
Als we aan de hemel denken, denken we aan engelen en als we aan engelen denken, denken we aan de hemel. Het klinkt bijna vanzelfsprekend. Engelen zijn in de hemel, in grote menigte. Duizendmaal duizenden en tien duizendmaal tien duizenden (Daniël 7:10; Openbaring 5:11), Jezus spreekt van meer dan twaalf legioenen engelen (Mattheüs 26:53) en in de Kerstnacht is er een menigte van het hemelse heirleger (Lukas 2:13). We zingen er ook van. ‘De engel des Heeren legert zich rondom degenen die Hem vrezen’ (Psalm 34:8), ‘Hij zal Zijn engelen aangaande u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen’ (Psalm 91:11). We roepen de engelen zelfs op om God te prijzen: ‘Looft Hem, al Zijn engelen, looft Hem, al Zijn heirscharen’ (Psalm 148:2; Psalm 103:20).
Wat zijn engelen?
Engelen zijn geesten, onzichtbaar, in een andere werkelijkheid. Wij kunnen alleen zien wat tot onze aardse werkelijkheid behoort, maar er is ook de onzichtbare werkelijkheid, laten we zeggen van God, de hemel, de eeuwigheid. Daar bevinden zich de engelen. ‘Gedienstige geesten’, zegt de Hebreeënbriefschrijver (1:14), in het Grieks staat: liturgische geesten, dat wil zeggen: engelen prijzen in de liturgische dienst God. We kunnen denken aan de serafs in Jesaja 6:3, lofprijzende engelen, die zingen: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! Het is veelzeggend wat Wilh.à Brakel (1635 – 1711) in zijn Redelijke Godsdienst over de engelen schrijft: ‘Engelen zijn onlichamelijke, zonder lichaam bestaande, zelfstandigheden. Een lichaam heeft lengte, breedte en hoogte, maar engelen hebben daar in het minst geen gemeenschap mee’.
Wanneer zijn engelen geschapen?
In de regel stelt men dat de engelen geschapen zijn vóór de eerste scheppingsdag. Daarbij haalt men de woorden in Job 38:7 aan, dat, toen God de hemel en de aarde schiep, ‘de morgensterren tesamen vrolijk zongen en al de kinderen Gods (de engelen, zie Job 1:6 en 2:11) juichten’. Toch moeten we daar niet teveel nadruk op leggen. Het gaat in Job 38 meer om een dichterlijke voorstelling dan om een letterlijke beschrijving. De sterren (dus ook de morgenster) werden pas op de vierde dag geschapen (Genesis 1:14). We kunnen ook denken aan wat Abr. Kuyper schrijft in zijn boek ‘De engelen Gods’ over het eerste vers van de Bijbel: ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde’. Wen bedenken daarbij dat in het woord hemel alles besloten ligt wat tot de hemel behoort. Calvijn zegt in zijn Institutie: ‘Waartoe dient het om na te speuren op de hoeveelste dag de meer verborgen hemelse heirscharen geschapen zijn? Laat ons bedenken dat we de regel van bescheidenheid en matigheid in acht moeten nemen’.
Engelverschijning?
Engelen zijn onzichtbare geesten. Toch lezen we in de Bijbel dikwijls dat ze verschijnen: bij Abraham, bij Hagar, bij Manoach, bij de drie mannen in de vurige oven, bij Zacharias in de tempel, in de Kerstnacht aan de herders, met Pasen, bij de hemelvaart, bij Petrus toen hij verlost werd uit de gevangenis. In de regel zijn dat engelen in mensengedaante: Abraham ziet hen als drie gasten en zet hun een maaltijd voor, Manoach spreekt van een Man Gods en pas wat later lezen we: Manoach wist niet dat het een engel des Heeren was (Richt. 13:16). Petrus zegt achteraf: Nu weet ik waarachtig dat de Heere Zijn engel gezonden heeft en mij verlost heeft (Hand. 12:11).
We moeten bedenken: als engelen in de Bijbel verschijnen is dat in heel bijzondere situaties. Ze behoren bij de Godsopenbaring, in een tijd toen er nog geen Bijbel was en God op bijzondere wijze tot mensen sprak. Dat was mijn bezwaar tegen de TV-uitzendingen van de EO ‘Touched by an angel’, waarin alle nadruk lag op verschijning van engelen. We doen er goed aan met engelverschijningen in onze tijd uiterst voorzichtig te zijn. In de Bijbel lezen we ook steeds van grote vrees als een engel verschijnt; mensen vrezen te sterven. Engelen behoren immers bij de heiligheid van God en bij ons mensen is onheiligheid. Ook dat miste ik in de uitzendingen. Wat niet wil zeggen dat God in een uitzonderlijke situatie niet één of meer van Zijn engelen zou kunnen zenden. Maar heb ik dat nodig? Ik geloof vast aan soms wondere bewaring en bescherming door engelen. Ik zing het ook mee: ‘Hij zal Zijn engelen gebieden, dat ze u op weg bevrijden; gij zult hen, in gevaren, zien voor uw behoudenis strijden’ (Psalm 91:5 berijmd). Maar moet ik ze daarom zien? Zoals ik geloof in Gods hulp en bewaring die voor mij vaak onzichtbaar is, zo geloof ik ook de onzichtbare dienst en hulp van engelen (Hebr. 1:14) voor ieder die het van de Heere alleen verwacht.
Geloofswerkelijkheid
Engelen zijn een geloofswerkelijkheid. Ik hoef ze niet te zien, maar ik geloof ze. En een geloofswerkelijkheid is geen mindere werkelijkheid dan de zichtbare werkelijkheid. Maarten Luther zegt ergens: ‘Het zou goed zijn als we ‘s morgens bij het opstaan zouden bidden om de hulp van Gods gezanten en zeggen: Goede God, laat vandaag Uw heilige engelen bij mij zijn, mij regeren, leiden, beschermen en onderwijzen’. Bij mijn weten heeft hij nooit een engel gezien. Calvijn schrijft in zijn Institutie: ‘De engelen zijn als het ware tussenboden die God aanwendt. Zij waken voor ons heil, nemen onze bescherming op zich, leiden onze wegen en dragen zorg dat ons niets kwaads overkomt. God gebruikt ze niet uit noodzaak, alsof Hij de engelen niet zou kunnen missen, maar Hij doet het tot vertroosting van onze zwakheid’.
Blijdschap in de hemel
Ik moet denken aan de gelijkenis van het verloren schaap en de verloren penning: ‘Er is blijdschap in de hemel, bij de engelen van God, over één zondaar die zich bekeert’ (Lukas 15:7 en 10). Wij zijn geneigd om te zeggen: engelen hebben wel wat anders te doen dan zich druk te maken over de bekering van één zondaar. Nee, zozeer gaat de bekering van een zondaar Gods dienaren ter harte. Ik moet ook dikwijls denken aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus: Lazarus wordt door de engelen (meervoud) gedragen in de schoot van Abraham (Lukas 16:22). Het is waar wat Wilh.à Brakel zegt: ‘Engelen zijn heerlijke schepselen. Ze houden op Gods bevel de wacht over de gelovigen, beschermen en bewaren hen, zodat men stil en zonder vrees kan zijn, ook als alles tegen ons schijnt gekant te zijn’.
H.Veldhuizen (Wapenveld)
