Het wezen van de gemeente
“Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk.”, zo belijden we elke zondag in de apostolische geloofsbelijdenis. Een belijdenis, die alle eeuwen door geklonken heeft. Een belijdenis, die ook uitermate is aangevochten en bestreden, temidden van scheuringen en verdeeldheid. Toch blijven we deze belijdenis vasthouden, omdat we met deze woorden de Schriften naspreken. Dat is belijden: zeggen wat ons in de Schriften is voorgezegd.
Inleiding
In de Bijbel komen we de gemeente des Heeren vaak tegen. In het Oude Testament zien we dat wanneer het volk Israël is verzameld bij de tabernakel. Dat volk wordt dan de gemeente genoemd. Een verzameling van mensen met het ene doel om de Heere te dienen in de dienst van de verzoening. In het Nieuwe Testament betekent het woord gemeente zoveel als: geroepenen uit de wereld. Mensen, weggeroepen uit hun zondig en opstandig bestaan, om de Heere te dienen, opgrond van wat de Heere Jezus heeft gedaan. En als we dat tot ons laten doordringen is het niet verwonderlijk, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt over de gemeente als een vergadering van ware Christgelovigen, die heel hun zaligheid verwachten van Jezus Christus. (art. 27)
Tegelijk zien we in de Schrift een veelkleurigheid aan beelden om de gemeente aan te duiden, in overeenstemming met de veelkleurigheid van Gods genade.
In navolging van de Schrift noemen we de gemeente in de eerste plaats:
Het volk van God
Zo wordt in het Oude Testament vooral het volk Israël genoemd. God heeft in Abraham dat volk uitverkoren uit alle geslachten van de aarde. Aan hen heeft Hij Zijn Woorden bekend gemaakt. Met hen heeft Hij een verbond gesloten en Zijn wetten gegeven. Daarom neemt het volk Israël een aparte positie in ten opzichte van de andere volken. Juist omdat Israël het volk van God wordt genoemd, is dat volk onderscheiden van de andere volken. Tegelijk betekent het ook, dat dit volk een duidelijke opdracht heeft naar de andere volken toe. Namelijk, dat volk dient te zijn als een banier der volken, een licht voor de heidenen. Met name de profeten hebben het volk telkens weer herinnerd aan die hoge roeping. Het was de zonde van Israël, dat men het uitverkoren zijn door God ging zien als een besloten gebeuren (denk hierbij aan de geschiedenis van Jona).
In het Nieuwe Testament wordt de gemeente van Jezus Christus ook het volk genoemd, maar nu is het niet meer beperkt tot het volk Israël, ook de heidenen mogen voluit delen in het heil van Israël. Op grond van het volbrachte werk van de Heere Jezus en door de uitstorting van de Heilige Geest wordt het heil wereldwijd. Maar de roeping blijft hetzelfde. In onderscheiding van hen die buiten staan, heeft de gemeente te zijn een licht voor de wereld, zout van de aarde (Mattheus 5:13-16).
De bruid van Christus
Met deze benaming, de bruid van Christus, wordt de nauwe verbondenheid tussen Christus en de gemeente getekend. Een verbondenheid die berust op liefde. Op talloze plaatsen in de bijbel wordt de verhouding tussen God en zijn gemeente getekend in termen van een huwelijk. We denken hierbij in het bijzonder aan de profeet Hosea, het Hooglied en Efeze 5. Duidelijk is vanuit die gedeelten ook, dat Christus de gemeente als Zijn bruid, heeft verworven. De liefde kwam eenzijdig van Zijn kant. Hij heeft Zichzelf geheel en al overgegeven om die bruid te verwerven. Door kruis en opstanding heen kocht Hij haar met Zijn bloed en door de inwerking van Zijn Geest roept Hij wederliefde in haar wakker, opdat zij in die wederkerige liefde zal heen leven naar de grote dag van de bruiloft van het Lam.
In termen van liefde en huwelijk worden in het bijzonder bij de profeet Hosea de zonden van de gemeente beschreven als hoererij en echtbreuk. Zonden die op deze manier worden getypeerd als het vertrappen van goddelijke liefde. Toch blijft Hij Zijn gemeente liefhebben en belooft Hij dat Hij door rechtvaardiging en heiliging heen Zijn gemeente voor Zich zal stellen zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, als een geheel reine bruid.
Juist vanuit deze benaming mogen we moed hebben en hoop, dat Hij Zijn gemeente, ondanks de zonden die zij doet, niet zal los laten.
De tempel van de Heilige Geest
Het is de apostel Paulus die in de 1e Korinthebrief de gemeente de tempel van de Heilige Geest noemt. Zo wil God de Heere wonen in Zijn gemeente: door Zijn Heilige Geest. Die Geest heeft Hij uitgestort en is in het bijzonder gegeven aan de gemeente. Het beeld van een tempel roept iets op van eredienst en cultus. Juist binnen de gemeente wil de Heere gediend, geloofd en geprezen worden. Het is juist de Heilige Geest Die de gemeente aanzet tot een loflied op de grote werken Gods. Het is door die Geest, dat het werk van rechtvaardiging en heiliging voltrokken wordt. Zo kan ook tegen de gemeente gezegd worden, dat ze een heilig volk en een koninklijk priesterdom is (1 Petrus 2 + Exodus 19).
Wanneer de gemeente een tempel van de Heilige Geest genoemd wordt, onderstreept dit haar hoge roeping om haar licht te verspreiden over de wereld. Vanuit de tempel wordt immers heel het leven geheiligd en gezet in het licht van het Woord van God. Zo te leven is een hoge roeping en een dure plicht.
Het laat het licht vallen op de toekomst. Nu is er de genadige en zegenrijke inwoning van de Heilige Geest, maar straks zal het zover komen, dat God alles in allen zal zijn. Daar strekt de gemeente zich als het goed is reikhalzend naar uit.
Tenslotte
We worden geroepen om belijdend de Schriften na te spreken en om niet te letten op de scheuren en de barsten in het gebouw, dat kerk heet. Als we dat doen, worden we moedeloos, maar wanneer we letten op wat God zegt en doet, krijgen we hoop en moed om met vurig enthousiasme te staan in Zijn dienst, om heilig en trouw te leven van de woorden van de Schrift, die Hij zal vervullen. Zo mogen we gemeente zijn, staande op het fundament van apostelen en profeten, levend tot Zijn eer. Ook anno 2004!
P. de Jager