Tekst 1e bord:
Dit huis dat nu gebout, staat door des Heeren zeegen,
Heeft jaren menigfout vervallen woest geleegen
Gelijk een wildernis, de schuld was bij den mens.
Die vroom godsdienstig is, kreeg niet zijns herten wensch.
Men sprak ’t is veel te vroeg des Heeren huis te bouwen.
Daar is niet magsgenoeg, ’t was droevig aan te schouwen.
Hoe elk zijn eigen werk leverde met vleit.
En onder des godskerk vast schaloos leggen leit.
Het ging in den tijd als Hagai des profeeten,
Dien Gods gebenedijt zijn wet had laten weeten,
Te zeggen aan der vorst, te prediken het volk
’t geheim uit goodes borst, die grondelooze kolk.
De zaak was dat men zouw zijn naam te Eere stigten
Het heilige gebouw dat ieder in zijn pligten
Zig kweiten zouw te regt, maar hoe is al vergaan.
Voor waar te bijster slegt, daar wierd niet opgedaan.
Tekst 2e bord:
Gods stem werd niet gehoord, men bleef verstokt van herten,
Totdat de heer verstoort hen toe zond veele smerten.
Met plaagen overviel, doen wert er eerst gehoord.
Dat drong tot in de ziel, het timmeren ging voort.
En als zij vingen aan het fundament te leggen.
De heer was veerdig dan zijn zeegen toe te zeggen.
Zoo is ’t met ons gegaan, men wil aan ’t bouwen niet.
Daar toe niet eens verstaan, voor dat gods vallen liet
Zijn plagen en daar mee ons zwaarlijk kwam benauwen
Toen maakte wij ons Ree zijn huis weer op te bouwen.
Elk eiverde om zeer, de politie en de kerk
Die stelde tot gods eer met al haar magt te werk,
Gods zeegen wrogt het uit, zijne name zij geprezen,
Geroep met overluid, zijn wooning zal het weezen.
Wij zullen dan met vleid aan hooren goodes woord,
Daar in to allerteid verkeeren zo ’t behoord.
Onderschrift eerste bord:
Ter Ere van Gods Kerk staat dit geschreven werk
Onderschrift tweede bord:
Jacob Gysberse. Bakker. Secretaris.
Terug