God van belofte en verbond
‘Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan. Al wat Gij ooit beloofd hebt zal bestaan’.
Deze regels uit Psalm 93 schoten me als eerste te binnen toen me gevraagd werd om een bijdrage voor deze KernKatern te leveren met als kernwoorden ‘Gods trouw’ en ‘onze doop’.
Wat komt daarin op een duidelijke wijze één van de karaktertrekken van God de Vader tot uiting: Zijn trouw.
Een karaktertrek die we vanaf het begin in de Bijbel tegen komen.
Die eigenlijk als een rode draad door heel de bijbelse geschiedenis heen loopt.
Gods trouw, Zijn zorg en belofte(n) voor heel de schepping. Voor het volk Israël in zijn geheel. Voor (hulpbehoevende) personen in het bijzonder.
Wat daarbij opvalt is dat het God Zelf is die het initiatief nam tot deze belofte(n).
En dan juist vaak op die momenten waarop mensen, soms letterlijk, met lege handen stonden.
Eén van de mooiste voorbeelden daarvan is de moederbelofte die we in het begin van het bijbelboek Genesis aantreffen.
Ik vraag me wel eens af of ik op dat moment net zo zou hebben gereageerd als God gedaan heeft. Want, zou het niet heel goed te begrijpen zijn geweest als er na de zondeval een streep door heel de schepping zou zijn gehaald? Deze zou zijn vernietigd?
Maar nee, kort na het moment dat onze voorouders er voor gekozen hadden om ‘te zijn als God’ en daardoor de geestelijke dood met als gevolg daarvan ook de natuurlijke dood zijn intrede in het Paradijs deed, klonk de belofte, het wonder van de komst van de Messias. Niet de dood maar het Leven zou overwinnen. Wat een trouw!
Een karaktertrek die ook als een rode draad door de kerkgeschiedenis heenloopt.
Zou er zonder Zijn trouw nog wel een kerk zijn?
Als ik dit schrijf, dan voel ik eigenlijk meteen de pijn van ‘het lijden aan de kerk’ naar boven komen.
Wat schieten wij als kerk vaak tekort en voldoen we niet aan de opdracht die Christus ons gaf om het zout der aarde te zijn.
Want wat is er tot op de dag van vandaag een verdeeldheid op het kerkelijk erf, vaak voortgekomen uit het feit dat mensen zich niet wilden buigen voor hun Koning, zich niet hebben laten leiden door het Woord, maar hun eigen haan koning lieten kraaien.
Hoe wordt soms juist binnen de kerk ‘geschiedenis’ omlaag gehaald tot ‘verhaal’.
Kernbegrippen van het geloof die ons heilig zijn naar het land der fabels verwezen.
Christus niet meer als de enige Weg ten leven erkent.
Wat een verdriet moet onze God hiervan ondervinden….
Maar, wat heeft Hij ondanks dat een geduld met ons (kerk)mensen.
Een karaktertrek die ook als een rode draad door ons eigen leven loopt.
De meesten van ons zijn als kind gedoopt. Gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Een doop die we mogen zien als een onuitwisbaar teken van Gods trouw. Een teken van het verbond dat Hij met ons, mensen geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, wilde sluiten. Ondanks het feit dat Hij weet dat wij ons deel van het verbond niet na zullen komen.
Wat een voorrecht om gedoopt te zijn! Een voorrecht wanneer dit teken en zegel van Gods trouw, misschien op latere leeftijd, werd ontvangen nadat het ‘jawoord’ werd gegeven bij het afleggen van de geloofsbelijdenis. De doop daarbij dus bewust werd ervaren.
Wat een voorrecht wanneer je ouders je als kind hebben laten dopen. Terwijl je je daar op dat moment helemaal niet van bewust was.
Dit schrijvend, realiseer ik me dat er in de loop der eeuwen heel wat woorden zijn gesproken, er boeken zijn vol geschreven, er ook verdeeldheid is ontstaan over het moment waarop men gedoopt zou moeten worden. Kinderdoop of volwassendoop?
Dit geldt ook voor de vraag of het niet juist zou zijn dat men zich, ook al is de kinderdoop ontvangen, laat dopen op het moment dat men bewust voor Jezus gekozen heeft. Een vraag die, denk ik, ook in onze tijd actueel is.
Ik hoop dat we, wanneer we met dergelijke vragen geconfronteerd worden, het gesprek er over niet uit de weg zullen gaan. Ook al kunnen daarbij gedachten naar voren komen die haaks staan op datgene wat we zelf altijd geleerd hebben en geloven.
Laten we in openheid en eerlijkheid zoeken naar antwoorden. Elkaar toch vasthouden als blijkt dat met betrekking tot deze vragen de meningen blijven verschillen.
Naast het feit, zoals ik net schreef, dat het gedoopt zijn, het ontvangen hebben van het teken van Gods trouw, een voorrecht is, is het ook een feit dat lang niet iedereen dit zo ervaart. Sommigen ‘zegt het helemaal niets’ dat ze gedoopt zijn, anderen verwijten het hun ouders dat ze ten doop gehouden zijn, ‘hebben er geen boodschap aan’.
Wat een verdriet, wat een zorg kan een dergelijke houding teweeg brengen.
Zeker als het één van diegenen is van wie je zoveel houdt. Een kind, een ouder, een broer of zus, een vriend(in).
Soms is een gesprek over een dergelijke levenshouding niet meer mogelijk.
Resulteert dat alleen maar in verwijdering, verwijten, harde woorden.
Maar, wat is het een voorrecht dat we dit verdriet aan onze Verbondsgod mogen voorleggen. Wetend en gelovend dat Hij geen bidder laat staan. Ook al zien wij in dit leven niet altijd de verhoring van ons gebed, we mogen geloven dat Hij tot in eeuwigheid de Getrouwe is.
M.Visser