Aantekeningen Jacob Prins

Aantekeningen Jacob Prins

JACOB PRINS EN ZIJN 'AANTEKENINGEN' Dit artikel bevat twee verhalen over gebeurtenissen in Huizen rond het beroepen van een nieuwe predikant (ds. Slothouwer en ds. Griethuysen).

Het is geschreven door de heer D. Schaap  en is eerder gepubliceerd in 'De Ratel' een uitgave van de Historische Kring Huizen en met toestemming van de redactie overgenomen.


Adres van de auteur:          Redactieadres 'De Ratel':
D. Schaap                            Mevr. W. van Noppen
Dreef 21, 3956 EP               Brede Englaan 12, 1272 GS
Leersum                              Huizen
______________________________________________________

Sinds lange tijd is mijn familie in het bezit van een oud boekje, waarover heel wat te vertellen is. Het is een onooglijk schriftje, gekaft in een oude krant. Eigenlijk is het niet meer dan de afgeknipte helften van bladzijden van een kasboek uit de achttiende eeuw, te weten uit 1761.  De twintig bladen van dit boekje (12 x 15 cm) zijn beschreven met pen door de Huizer Jacob Prins in de periode 1823 tot 1866.

Dit boekje is via Jacobs zoon Dirk terecht gekomen bij diens dochter Lijsje Prins. Zij was mijn grootmoeder. Ze woonde in het huis Visserstraat 80 ( tegenwoordig genummerd Vletstraat 5 ). Via haar oudste dochter Aaltje Koeman, die jaren lang inwoonde bij haar zuster Heintje, mijn moeder, zijn wij in het bezit van dit boekje gekomen.

 

Wie was deze Jacob Prins? Degene die enigszins op de hoogte is van de geschiedenis van Huizen, zal deze naam herkennen. Hij leefde van 1793 tot 1870 en was de eerste havenmeester van Huizen. Prins woonde aanvankelijk ook aan (bij?) de Visserstraat en later in het havenhuis aan de haven. Voordat hij tot havenmeester werd benoemd was hij boer en visser.

 


Het aantekeningenboekje

Jacob zal zeker niet de enige zijn geweest die notities maakte over de dingen die in zijn leven gebeurden. Wij weten bijvoorbeeld dat zijn kleinzoon Hendrik Prins dat jaren later ook deed. Maar vissers waren geen schrijvers. Ook al waren ze op school geweest en hadden ze daar leren schrijven, in hun beroep behoefden ze de pen niet vaak te gebruiken. Toch deed Jacob dat wel en schreef hij op belangrijke momenten dingen op. Waarom?

Twee dingen speelden hierbij mogelijk een rol.

Een deel van zijn aantekeningen zijn de notities over geboorte, huwelijk en overlijden in de familie. Velen deden dat in ons land, al eeuwen lang. In hoeveel statenbijbels staan dergelijke aantekeningen niet? Vóórin, moeizaam neergepend door onze voorvaders en -moeders? Je ziet het aan de letters: dit was hun dagelijks werk niet. Maar de feiten over het geslacht moesten wel bewaard worden!

Van de familie Prins is geen statenbijbel bewaard gebleven. Het is mogelijk dat Jacob bij gebrek aan een familiebijbel zijn familienotities in dit boekje maakte. En hij deed dit zeer nauwkeurig. Controle van de gegevens in het bevolkingsregister van Huizen wijst dit uit.

 

Een tweede reden vermeldt hij zelf. Hij schrijft ergens - ik kom er nog op terug - :

 

"ik hep dat maar alleen aangetekent

voor mijn kinderen en voor wie dat

mogten leezen, op dat zij wijzer

zouden handelen".

 

Hij schreef zijn ervaringen dus ook op met dit doel voor ogen: Dat het nageslacht er iets van zou kunnen leren, als levensles.

 

De inhoud van de gemaakte notities is te verdelen in drie delen:

a.       Twee verhalen over gebeurtenissen in Huizen rond het beroepen van een nieuwe predikant.

b.      Korte aantekeningen over het kopen van een koe, het kopen van hout, een strenge winter, de Belgische opstand en over grote armoede in Huizen.

c.       Twintig aantekeningen over familiegebeurtenissen. Vermeld worden de data van het overlijden van Jacobs vader (1), van zijn schoonvader en -moeder, zijn stiefvader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn zoon Dirk , diens vrouw, hun dochtertje en hun zoon. Daarnaast zijn vermeld de datum van zijn huwelijk, en de data waarop zijn zeven kinderen werden geboren.

Een klein deel van deze familienotities kan niet door Jacob zelf zijn geschreven, maar is waarschijnlijk van de hand van zijn zoon Dirk en van diens zoon Hendrik Prins.

Op de inhoud van  dit 'geslachtsregister' zal ik hier verder niet ingaan (2). 

 

De spelling die Prins gebruikt wijkt nogal af van de nu gebruikelijke spelling van het Nederlands. Daarom kost het ons soms wat moeite om de tekst te volgen. Maar het meeste wat hij schrijft is goed te lezen.

 

Oproer in Huizen ( deel 3 uit serie van drie artikelen)

De volgende aantekening die ik weergeef is eigenlijk een lang verhaal.

 

in het Jaar 1836

was onse gemeente vikant

door het emeritaat nemen van

domene nebeling van weegen

zijn ouderdom een godvrezend leeraar

Dus wij behoeften aan een andre

leeraar gevoelden maar dit heeft

veel moeiten en ook onaangenaam

heijd veroorzaakt de gemeente

gedeeltelijk en gedeeltelijk de kerkraad

de eene parteij wou Kraajenbilt

de andre parteij wou Slothouwer

en dit is zoo hoog geloopen

als dat de eene burger den andre

niet groete op de weg

doch eijndelijk Slothouwer

wiert met veel moeiten beroepen

de eerste beroeping wert bedankt

De 2 beroeping op dezelfde predekant wert angenomen

maar daar was het nog niet

mee afgeloopen daar was dan

een komplot saamen gespannen

op een rusdag na dat de preek

geijdigt was om de kerkeraad

aan te randen die voor Slothouwer

waaren zoo dat teijmen visser

door zeijn ouwde vader en moeder

is bescherremt aan zijn huijs is gebragt

dat was daar nog niet wel mede

daar was op een rusdag een brieffe

in de kirksak geleijd waar van

de inhoud deeze was om huijzen

moolen en schuijten in brant te steken

Daar kwam de polisse van amsterdam

aan te pas om dat uijt te vinden

was dat geburt wat zou dat slegte

gevolgen gehat hebben voor die menssen

daar is nog meer geburt

denk eens daar het de predekant

de plaas had  aan genomen nog 40 man

een brief tekende om dat beroep

af te breeken wat een dwaasheijd

het speijt mij dat ik moet aanmerken

als dat 2 oude vroome menssen

ook daar in deelden schoon door

onkunde waar zij over te amsterdam

moesten komen hoe wel het goed

af liep daar ik blij over was

even wel gods voorzienigheijd

was daar nog ten goeden. Daar was

dan een aanzienlijk heer wiens naam

was hooft graafland die eens een

ouwd vroom man een bezoek zouw

komen geven en wel op die oproerege rusdag

Dit baarde zoo veel ontzag

Dat alle man verbaast was

nu moet ik nog schrijven de navolgende dingen

zoo als mij zelfs verhaalt is

van een vrouw dat daar waren

2 broers en de eene moest de andre

belooven hij zou niet bij Slot

in de kerk gaan waar op de andre

zijde dat hij wel lijden mogt

als dat hij dood viel denk eens

wat een goddelooze uijtdrukken

maar wat gebeurt er deeze man

zijn paart gaat aan de loop daar hij

het paart zou grijpen het rat van de kar

over zijn lijf gaat die niet geladen was

en met de dood te ondergaan

zijn lot was en die dan ook wel

de eerste was die de predekant

ter aarde hielp bestellen wat wonders

en zoo mij ook verhaalt is van een vrouw

die met de predekant zijn uijtspraak spotte

zoo dat men naderhand haar niet best

kon verstaan dus wat er al gebeuren kan

onder de menschen kinderen door mis verstand

hoe wel de predekant niet zonder zeegen is geweest

ik hep dat maar alleen aangetekent

voor mijne kinderen en voor die dat

mogten leezen op dat zij wijzer

zouden handelen.

  Jacob prins


Grote spanningen in het dorp rond het beroepen van een predikant. Ds G.H. Nibbelink nam op 23 juni 1836 afscheid als predikant van de Hervormde gemeente wegens emeritaat (pensioen).

Deze vacature kwam in een periode waarin binnen de ene protestantse (Nederlandse Hervormde) kerk van ons land grote kerkelijke problemen waren ontstaan. In 1834 had de zgn. Afscheiding plaats gevonden. Twee bekende predikanten, ds De Cock en ds Scholte hadden zich afgescheiden van de kerk. Met hen een groeiend aantal predikanten en gemeenten. Zij vormden een nieuw kerkgenootschap, de Christelijk Afgescheiden gemeenten. Ook in Huizen waren er kerkleden die deze weg van afscheiding wilden gaan. Zij schreven hierover brieven aan de kerkenraad. Maar de kerkenraad legde hun brieven terzijde, omdat de raad eerst een nieuwe predikant wilde vinden. Beroepen werd ds H. Slothouwer te Oosterwolde (Gld.).

Prins vermeldt, dat dit besluit pas na grote meningsverschillen binnen de kerkenraad was genomen. En dat er zich in het verlengde hiervan binnen de gemeente twee partijen hadden gevormd. De ene groep wilde samen met een minderheid van de kerkenraad ds Kraaijenbeld beroepen, een voorstander van Afscheiding.  De andere groep, vertegenwoordigd door de meerderheid van de kerkenraad, wilde ds Slothouwer als de nieuwe predikant. Er ontstond een ruziesfeer in het dorp, men groette elkaar zelfs niet meer.

Toen bedankte ds Slothouwer voor het beroep. Maar de meerderheid van de kerkenraad wilde deze predikant zo graag dat hij voor de tweede maal werd beroepen. Dit beroep nam hij aan.

Tegelijk hiermee groeiden de spanningen in het dorp.

Wij moeten ons hierbij realiseren, dat tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw het beroepen van een nieuwe Hervormde predikant in het dorp een aangelegenheid van het hoogste belang was. Het grootste deel van de Huizers was Hervormd.

Ook in 1836 leefden de mensen mee, zeker de groep die het niet eens was met het beleid van de kerkenraad: niet meegaan met de Afscheiding. Deze mensen, Prins schrijft over een groep van 40, vonden dat zij niet gehoord werden. Zij schreven aan de kerkenraad een brief om het beroep alsnog ongedaan te maken. En enkelen gingen zich ook daadwerkelijk verzetten tegen de kerkenraadsleden met wie zij van mening verschilden. Prins schrijft over twee gebeurtenissen:

-     De groep voorstanders van de Afscheiding wilde de kerkenraadsleden die ingestemd hadden met de beroepen van de nieuwe predikant, na de zondagse kerkdienst te lijf. Dezen moesten in bescherming worden genomen.

-     Men vond na afloop van de (volgende?) kerkdienst in de collectezak een dreigbrief: De opposanten zouden de Huizer molen en de botters (van de tegenpartij ) in de haven in de brand steken als er geen rekening gehouden werd met de voorstanders van Afscheiding.

De overheid nam dit heel serieus. Men zocht hulp bij hogere instanties, waarschijnlijk de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam. Er kwam politie naar Huizen die probeerde door het verhoren van dorpelingen er achter te komen van wie deze bedreigingen afkomstig waren. De namen van de briefschrijvers waren bekend. O.a. die van 'twee oude vroome menssen', die ook werden gehoord.  Jacob Prins schrijft dat ze niet goed wisten waaraan zij meededen: 'Wat een dwaasheijd'.

Op één van die spannende zondagen verscheen er dan ook nog een koets in het dorp. Bij één van de huizen stapte een deftig heer uit en ging naar binnen. Het was de heer Hooft

Graafland (10), een patriciër uit Amsterdam, die in eigen persoon rust kwam brengen door een bezoek af te leggen bij een oude Huizer man, die kennelijk zijn steun nodig had. 'Dit baarde zoo veel ontzag Dat alle man verbaast was'.

 

Geschillen over kerkelijke zaken gaan soms zelfs dwars door families heen. Ook hierover schrijft Prins. Er waren in die dagen twee broers, die diepgaand verschilden van mening over de komst van ds Slothouwer.  Eén van hen wilde dat zijn broer hem beloofde dat hij bij deze dominee niet in de kerk zou gaan. Waarop deze hem zei, dat hij nog liever dood zou vallen. Prins spreekt zijn afschuw over uit over deze 'goddelooze' woorden. Maar wat gebeurde er? De man die deze vervloeking over zich zelf had uitgesproken werd enige tijd later op onverklaarbare wijze door zijn eigen paard en wagen overreden! En wonderlijk genoeg was hij de eerste dode die door ds Slothouwer werd begraven? Deze gebeurtenis was voor de mensen een soort godsoordeel en het maakte zeer diepe indruk (11).

 

Nog een wonderlijk bericht ging er door het dorp: Een Huizer vrouw, die de spot dreef met de manier van spreken van de nieuwe dominee, zou zelf daarna problemen hebben gekregen met haar spraak. ' wat er al gebeuren kan onder de mensen kinderen door misverstand'.

 

Dit lange verhaal sluit Jacob Prins af met de notitie die ik al in het begin noemde: 'voor mijn kinderen en voor die dat mogten lezen opdat zij wijzer zouden handelen'.

Prins heeft deze gebeurtenissen op een afstand gevolgd en er zijn conclusies uit getrokken. Uit zijn aantekeningen blijkt dat hij het met de ruziemakers zeker niet eens was. Van zijn vader, Pieter Prins, is bekend dat hij 'Mennist' was, d.w.z. behoorde tot de Doopsgezinde gemeente in Huizen. Zelf is Jacob opgevoed door een tweede vader en was gedoopt in de Hervormde Gemeente. Maar iets van de doopsgezinde geest was hem niet vreemd: vreedzaamheid en bezonnenheid.

 

Nog een verhaal over het beroepingswerk

Twintig jaren later schrijft Jacob Prins in zijn boekje opnieuw over gebeurtenissen in Huizen rond het beroepen van een Hervormde dominee. In 1856 vertrok ds Slothouwer naar Andel (N.B.), nadat hij voor een eerste beroep naar deze gemeente had bedankt. Opnieuw is er een vacature.

 

In het jaar 1856 is Slothouwer beroepen

na andel voor De eerste maal bedankt

voor De 2 maal aangenomen

Dus De geemete van Huijzen vikant

Daar De kerkraat op losse gronden

geen of wijnig swaarighijd maakte

Dog naderhand heel arders uijtkwam

toen ging men aan het beroepen

tot 14 maal en nog geen predekant

zoo Dat wij bijna 2 Jaar herderloos waaren

zoo Dat De kerkeraad haast De moet opgaaven

maar ziet wat geburt er De heere Die goed is

hat het anders in zijn eewige raad gedagt

en gebrukten Daar 2 menschen toe

als een mindel in zijn hand en wel zoo

Dat Daar was wijning haring te vangen

zoo Dat Die menschen beslooten om raapen

te vaaren en voeren Daar mee na vrisland

en te eijlst komende Daar Domene

griethuijzen stond waar zij ook verkogten

en De Domene haar Des avins

op een pijp verzogt gelijk zij Deden

en De Domene haar raaden

De kerkeraad zow naar vriesland gaan

en De Domene liet het daar niet bij

zij zouden De kerkeraat De groetenis Doen

waar uijt zij beslooten de Domene

mogt genegenthijd voor huijzen hebben

gelijk ook naderhand gebleeken is

zij met een brief geschreven hoe Domene

Daar overdagt en schreef te rug

Als hij de beroeping kreg hij de plaas

zou komen zien gelijk hij ook Deet

en het heeft een gelukkig gevolg gehad

want hij nam ook De plaas aan

Zoo heeft De heere ons Dan genadig geret

Dat wij zijn van gisteren en weten niet

             Jacob prins

Dus Griethuijsen is gekoomen in Jaar 1858 2 mij

En is vertrokken in 1859 na poortvliet 14 augustus

 

Jacob Prins schrijft in het begin van deze aantekening  enkele regels, die niet zo duidelijk zijn: 'daar de kerkraat op losse gronden geen of wijnig swaarighijd maakte Dog naderhand heel arders (anders) uijtkwam..'. Bedoelt hij dat de kerkenraad in het begin van de vacaturetijd  volgens hem onterecht niet actief genoeg was?

Hierna ging de kerkenraad aan het werk en startte het beroepingswerk.

Hoe dan ook, dit werk had weinig resultaat. Veertien keer werd een beroep uitgebracht, maar zonder resultaat, 'zoo Dat De kerkeraad haast De moet opgaaven '. Twee jaar lang was de gemeente herderloos.

'Maar ziet wat geburt er?' Prins beschrijft nu een wonderlijke gebeurtenis. Twee Huizer vissers voeren in de slappe tijd van de haringvangst met hun botter naar Friesland om rapen  te varen, d.w.z. dat zij daar knolrapen uit Huizen gingen uitventen. Een van hun klanten was de dominee van IJlst, ds H. van Griethuysen. Deze predikant was blijkbaar op de hoogte van de kerkelijke situatie in Huizen en hij zag zijn kans schoon om uit Friesland weg te komen. Hij vroeg de twee Huizers 's avonds  'op een pijp', d.w.z. hij nodigde hen uit voor een bezoek bij hem thuis, waarbij hij hen als een goed gastheer een pijp tabak aanbood.

Onder het genot hiervan bracht Van Griethuijsen het gesprek met de Huizer vissers op de lange vacature. Zou de kerkenraad niet eens "een" dominee in Friesland moeten gaan horen?  Hij gaf hen uitdrukkelijk de opdracht om zijn beste groeten over te brengen aan de broeders  in Huizen.

Zijn suggesties waren voor de bezoekers duidelijk genoeg: Deze dominee wilde graag naar Huizen komen! Maar ze durfden toch niet over één nacht ijs te gaan. Terug in 'het darp' schreven ze dominee Van Griethuijsen een brief met de vraag of hij inderdaad van zins was om een beroep naar Huizen aan te nemen. Een bevestigend antwoord kwam terug uit Friesland. Daarna werd Van Griethuijsen beroepen en nam hij het beroep aan. Hiermee was aan de lange vacature eindelijk een eind gekomen.

'Zo heeft De Heere ons dan genadig geret'  Opnieuw een onderstreping van het grote belang dat de schrijver hecht aan het geloof, de kerk en haar voorgangers.

Prins besluit zijn aantekening: 'Dat wij zijn van gisteren en weten niet' (12). Dit is een citaat uit het bijbelboek Job. Bedoeld wordt, dat wij in ons korte leven de wijsheid niet kunnen uitvinden. Wij zijn op de ervaring van vorige geslachten aangewezen.

 

1. De naam van zijn vader was Pieter Prins. Van hem is in mijn familie een voor die tijd opmerkelijk feit bekend. Hij behoorde tot de Doopsgezinde gemeente in Huizen. Of zoals men toen zei: Hij was een Mennist. De kleine Jacob werd daarom bij zijn geboorte niet gedoopt. Maar vader Pieter overleed jong, in 1796. Zijn moeder is toen hertrouwd en heeft Jacob op Paaszondag 16 april 1797 op 3-jarige leeftijd in de Gereformeerde (Hervormde) kerk laten dopen.

 

2. De naam van dit geslacht Prins is in Huizen nu alleen nog aanwezig in een straatnaam, de Piet Prinsstraat. Deze Piet(er) was de oudste zoon van Jacob. Hij leefde van 1826 tot 1906. Hij woonde op huisnummer A 1, een huis dat waarschijnlijk lag aan het einde van de huidige Prinses Irenestraat.


10. Zeer waarschijnlijk is dit geweest Jhr. Mr. Hendrik Constantijn Hooft Graafland  (1795-1852). Hij was in 1835 lid van de gemeenteraad van Amsterdam en lid van de arrondissementsrechtbank.

 
11. 
Vgl. een zelfde verhaal in: Ds H.J. de Bie e.a., Vier eeuwen Hervormde gemeente Huizen, Huizen, 1995, bl. 19.

12.
Job 8 vers 9.